Uitspraak
200801932/1en 29 september 2010 in zaak nr.
200809200/1/R1heeft overwogen, rust op het gemeentebestuur de plicht zich voldoende te informeren omtrent de archeologische situatie in een gebied alvorens bij een plan uitvoerbare bestemmingen kunnen worden aangewezen en concrete bouwvoorschriften voor die bestemmingen kunnen worden vastgesteld. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden kan blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 (Kamerstukken II 2003/04, 29259, nr. 3, blz. 46) bestaan uit het raadplegen van beschikbaar kaartmateriaal, maar wanneer het beschikbare kaartmateriaal ontoereikend is, zal plaatselijk bodemonderzoek in de vorm van proefboringen, proefsleuven of anderszins nodig zijn. Het voldoen aan deze verplichting klemt te meer nu de Monumentenwet 1988 de mogelijkheid biedt - waarvan in dit plan gebruik is gemaakt - om de kosten voor het archeologische (voor)onderzoek voor rekening te laten komen van de grondeigenaren of gebruikers. De wetgever is er immers vanuit gegaan dat die financiële lasten zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn.
201100753/1/M2heeft de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] tegen dat besluit ongegrond verklaard. Bezwaren tegen dat besluit kunnen in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Voor het overige mist het betoog feitelijke grondslag, aangezien in het plan geen geluidsnormen zijn opgenomen.
200502361/1en van 28 oktober 2009 in zaak nr.
200900731/1/H1is als vaststaand feit aangenomen dat op het perceel een villa met aangebouwde bijgebouwen met een oppervlakte van 260 m² aanwezig is.