ECLI:NL:RVS:2011:BU4102
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens onvoldoende concrete twijfel aan Algerijnse nationaliteit
De vreemdeling werd op 1 september 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De minister stelde twijfel te hebben over de Algerijnse nationaliteit van de vreemdeling, wat aanleiding was voor het aanbieden van een taalanalyse. De vreemdeling weigerde hieraan mee te werken. De Raad van State oordeelde echter dat de minister deze twijfel niet had geconcretiseerd en dat er geen concrete aanwijzingen waren die deze twijfel ondersteunden. De weigering van de vreemdeling om mee te werken aan de taalanalyse bood onvoldoende grond om aan zijn nationaliteit te twijfelen.
Verder bleek uit het dossier dat de minister geen aanknopingspunten had voor uitzetting naar een ander land dan Algerije. Gezien eerdere jurisprudentie is het niet redelijk te verwachten dat binnen afzienbare tijd uitzetting naar Algerije zal plaatsvinden. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven. De schadevergoeding werd op nihil gesteld, maar de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven wegens onvoldoende concrete twijfel aan de Algerijnse nationaliteit van de vreemdeling.