ECLI:NL:RVS:2011:BU3406
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- B. van Wagtendonk
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Verblijf als partner van dubbele nationaliteit zonder uitoefening vrij verkeer niet op grond van richtlijn 2004/38/EG
De zaak betreft het hoger beroep tegen een besluit van de minister van Immigratie en Asiel waarbij een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsdocument als partner van een gemeenschapsonderdaan werd afgewezen. De vreemdeling is partner van een vrouw (referente) met zowel de Nederlandse als Spaanse nationaliteit, geboren en woonachtig in Nederland, die nooit gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer binnen de EU.
De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling rechtmatig verblijf had op grond van het Unierecht, omdat de dubbele nationaliteit van referente een aanknopingspunt met het Unierecht bood. De minister stelde echter dat de richtlijn 2004/38/EG niet van toepassing is wanneer de Unieburger zijn recht op vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, zoals bevestigd door het arrest van het Hof van Justitie van 5 mei 2011 (McCarthy).
De Raad van State volgt het standpunt van de minister en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling kan geen verblijfsrecht ontlenen aan de richtlijn omdat referente niet in een andere lidstaat heeft verbleven of gewerkt. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het gevraagde verblijfsdocument wordt niet verstrekt.