Uitspraak
200804287/1, echter evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en noopt ertoe dat een zodanig verzoek en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt. Aangezien dit vereiste als neergelegd in artikel 6 van Pro het EVRM op dat rechtsbeginsel berust, wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 29 maart 2006, Pizzati tegen Italië, nr. 62361/00, JB 2006/134) over de uitleg van deze verdragsbepaling. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van een appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de appellant, zoals ook uit de jurisprudentie naar voren komt. Uit de jurisprudentie volgt voorts dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld.
200802629/1, is in een zaak als deze, die normaliter uit een bezwaarschriftprocedure en een procedure in twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag, zoals de Afdeling voorts in die uitspraak heeft overwogen, uitzonderingen daargelaten, de behandeling van een bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van een beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van een hoger beroep ten hoogste twee jaar duren.
200804819/1/H2) de redelijke termijn aan bij het indienen van het bezwaar of beroep tegen het uitblijven van een besluit. [appellante] kan niet worden gevolgd in haar betoog dat de brief van 10 juli 2002 dient te worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Uit de omstandigheid dat [appellante] bij brief van 14 december 2010 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek tot het verlenen van het Nederlanderschap, waarbij zij heeft verwezen naar artikel 9, vierde lid, van de RWN en niet tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het gestelde bezwaar van 10 juli 2002, kan worden afgeleid dat zij de brief van 10 juli 2002 zelf niet als een bezwaarschrift heeft aangemerkt.