ECLI:NL:RVS:2011:BT8378
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens detentieongeschiktheid
De vreemdeling werd op 30 juni 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de bewaring met ingang van 18 juli 2011 onrechtmatig was, mede op basis van een brief van psychiater Landman waarin werd gesteld dat de vreemdeling niet detentiegeschikt zou zijn.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de brief van Landman pas ter zitting werd overgelegd, waardoor de minister geen gelegenheid had om een onderzoek naar de detentiegeschiktheid te verrichten. De brief en andere documenten boden onvoldoende grond om te concluderen dat de vreemdeling niet detentiegeschikt was.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond en de bewaring als rechtmatig bevestigd.