ECLI:NL:RVS:2011:BT8377
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank over medische vereisten bij uitzetting vreemdeling naar Colombia
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning gegrond verklaarde. De minister stelde dat alleen de overdracht van actuele medische gegevens vereist is voor het reizen van de vreemdeling, terwijl de rechtbank oordeelde dat ook directe voortzetting van de medische behandeling in Colombia noodzakelijk is.
In het BMA-advies van 7 mei 2009 werd gesteld dat de vreemdeling kan reizen mits overdracht van actuele medische gegevens plaatsvindt en dat medische behandeling in Colombia beschikbaar is. De minister heeft zich in het besluit van 21 januari 2010 verbonden aan het vereiste van directe voortzetting van de behandeling in Colombia. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat de minister dit standpunt heeft ingenomen en dat het betoog van de minister dat hij dit in eerste aanleg anders heeft gesteld, faalt.
De minister klaagde ook dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet aan zijn vergewisplicht had voldaan omtrent de directe voortzetting van behandeling. De Raad van State wijst dit betoog af omdat het vereiste van directe voortzetting volgens de minister niet geldt. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €437,00 en tot betaling van griffierecht van €448,00. De uitspraak is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 7 oktober 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.