ECLI:NL:RVS:2011:BT7444
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- H.G. Lubberdink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding na ongewenstverklaring en vreemdelingenbewaring
Appellant diende een verzoek tot schadevergoeding in wegens onrechtmatige besluiten rondom zijn verblijfsvergunning en de daaropvolgende vreemdelingenbewaring van januari 2008 tot februari 2009. De staatssecretaris en later de minister van Justitie wezen dit verzoek af, waarna appellant beroep instelde bij de rechtbank, dat eveneens ongegrond werd verklaard.
Appellant voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de latere besluiten van juni 2009 en maart 2010 met terugwerkende kracht de rechtmatigheid herstelden en dat de minister discretionaire bevoegdheid had overschreden. De Raad van State oordeelde dat het besluit van 25 juli 2007, waarbij appellant ongewenst werd verklaard, rechtmatig bleef zolang dit besluit niet was ingetrokken. De latere opheffing van de ongewenstverklaring en verlening van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht veranderde niets aan de rechtmatigheid van het eerdere besluit in de tussenliggende periode.
De Raad concludeerde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had gesteld die een uitzondering op deze regel rechtvaardigen en dat de minister niet onrechtmatig had gehandeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding bevestigd.