ECLI:NL:RVS:2011:BT7120
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens niet-erkend asielverzoek en rechtmatige verblijfspositie
De vreemdeling werd op 29 december 2010 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Kort daarna gaf hij mondeling te kennen asiel te willen aanvragen, maar dit werd door de minister niet als een formeel asielverzoek erkend. De rechtbank oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de vreemdeling als asielzoeker moest worden beschouwd en de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing was.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat een mondelinge wens om asiel te vragen als een asielverzoek in de zin van Europese richtlijnen moet worden opgevat, ook al is de formele schriftelijke aanvraag nog niet ingediend. Hierdoor heeft de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder f, Vw 2000, vanaf het moment dat hij de wens kenbaar maakte.
De Afdeling benadrukt dat de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw 2000 onrechtmatig was en dat de bewaring op grond van onder b had moeten plaatsvinden. De voortzetting van de bewaring zonder categoriewijziging was disproportioneel en onrechtmatig. Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig en het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard.