ECLI:NL:RVS:2011:BT6983
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding vreemdeling bij onderzoek vervoermiddel nabij binnengrens
De zaak betreft hoger beroep van de minister van Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die de staandehouding en bewaring van een vreemdeling onrechtmatig achtte. De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld na een onderzoek van een vervoermiddel nabij de binnengrens op grond van artikel 51, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De minister voerde aan dat artikel 51 Vw Pro 2000 zich richt op onderzoek van vervoermiddelen en niet op personen, en dat het onderzoek niet het effect van een grenscontrole heeft. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het onderzoek wel het effect van een grenscontrole kan hebben, zeker omdat alle inzittenden aan een identiteitscontrole kunnen worden onderworpen en het onderzoek in de nabijheid van de binnengrens plaatsvond. Verder ontbraken wettelijke waarborgen om te voorkomen dat het onderzoek hetzelfde effect als een grenscontrole zou hebben.
De rechtbank had terecht geoordeeld dat de staandehouding onrechtmatig was. Ook de minister kon niet aantonen dat de onrechtmatigheid van de staandehouding geen gevolgen had voor de rechtmatigheid van de daarop volgende bewaring. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak dat de bewaring niet werd opgeheven, en bepaalde dat de bewaring per 25 maart 2011 moet worden opgeheven. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt met ingang van 25 maart 2011 opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding.