ECLI:NL:RVS:2011:BT2621

Raad van State

Datum uitspraak
15 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201105725/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 90 Wetboek van StrafvorderingArt. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling onterecht in bewaring gesteld; schadevergoeding nihil

De vreemdeling werd op 27 april 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank oordeelde op 12 mei 2011 dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een minder dwingende maatregel dan bewaring kon worden volstaan en hief de bewaring op, maar wees het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding. De Raad van State stelde vast dat de omstandigheden die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag had gelegd, reeds bij het opleggen van de maatregel bekend waren. Hierdoor had de minister de bewaring niet mogen toepassen vanaf het begin.

De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep gegrond. Omdat de bewaring reeds was opgeheven, was een bevel tot opheffing achterwege. De schadevergoeding werd echter op nihil gesteld vanwege het bewust voortzetten van het onrechtmatig verblijf door de vreemdeling. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De bewaring werd onrechtmatig geacht vanaf het begin, maar schadevergoeding werd op nihil gesteld.

Uitspraak

201105725/1/V3.
Datum uitspraak: 15 september 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 12 mei 2011 in zaak nr. 11/14960 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 april 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 12 mei 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 mei 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, dat de rechtbank, nu zij heeft geoordeeld dat de minister de toepassing van de maatregel niet gerechtvaardigd had mogen achten, ten onrechte eerst ingaande 12 mei 2011 de opheffing van de maatregel heeft bevolen en ten onrechte geen aanleiding heeft gezien een schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) toe te kennen.
Daartoe betoogt de vreemdeling dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de omstandigheden die zij aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd, reeds ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring bij de minister bekend waren en de rechtbank derhalve tot het oordeel had dienen te komen dat de minister de maatregel van aanvang af niet had mogen toepassen.
2.1.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet met een minder dwingende maatregel dan bewaring kon worden volstaan. Aan dit in hoger beroep onbestreden oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat niet in geschil is dat de vreemdeling meewerkt aan het onderzoek ter fine van zijn uitzetting, dat hij op een vast adres samenwoont met zijn partner, dat hij zich op dat adres beschikbaar zal houden en dat hij voorafgaand aan de inbewaringstelling steeds op dat adres heeft gewoond.
2.1.2. De in hoger beroep onbestreden omstandigheden die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat de minister de toepassing van de maatregel niet gerechtvaardigd had mogen achten, waren reeds aanwezig bij het opleggen van de maatregel. Derhalve had de rechtbank niet kunnen volstaan met het opheffen van de bewaring met ingang van de datum van haar uitspraak, maar had zij moeten concluderen dat de minister de maatregel van aanvang af niet had mogen toepassen.
De grief slaagt in zoverre.
2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 27 april 2011 van de minister gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven.
2.3. Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan de rechtbank aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt. Artikel 90 van Pro het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.
Ingevolge het eerste lid van laatstbedoelde bepaling heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
2.4. Vaststaat dat de vreemdeling bij besluit van 1 juli 2002 ongewenst is verklaard, zijn verblijf hier te lande derhalve verboden is en op hem ook anderszins de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Die rechtsplicht brengt onder meer met zich dat hij volledige medewerking dient te verlenen aan elke poging van de minister om zijn terugkeer naar zijn land van herkomst of enig ander land waar zijn toelating is gewaarborgd, te bewerkstelligen. De vreemdeling heeft Nederland desondanks niet verlaten, maar heeft bewust gekozen voor langdurige voortzetting van zijn onrechtmatig verblijf hier te lande met het daaraan verbonden risico op steeds terugkerende inbewaringstelling. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding de schadevergoeding tot nihil te matigen.
2.5. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 12 mei 2011 in zaak nr. 11/14960;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. stelt het bedrag van de schadevergoeding op nihil;
V. veroordeelt de minister voor Immigratie en Asiel tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.311,00 (zegge: dertienhonderdelf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 56.99.94.977) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk
voorzitter
w.g. Van Leeuwen
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2011
373-699.
Verzonden: 15 september 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser