ECLI:NL:RVS:2011:BT2593
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen reëel risico op onmenselijke behandeling voor militair beveiliger in Irak
De vreemdeling, werkzaam als militair beveiliger in Irak, vroeg een verblijfsvergunning asiel aan, welke door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de minister ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij deel uitmaakt van een groep die systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandelingen zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende; er moeten specifieke onderscheidende kenmerken zijn of sprake zijn van een uitzonderlijke situatie van algemeen geweld.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat in de provincie Nineveh geen uitzonderlijke situatie bestond die een reëel risico op ernstige schade oplevert voor de vreemdeling louter vanwege zijn aanwezigheid. De rechtbank had het asielrelaas van de vreemdeling als niet overtuigend beoordeeld, en de minister was gerechtvaardigd in zijn standpunt dat het individuele risico onvoldoende was aangetoond.
Daarom werd het hoger beroep van de minister gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.