ECLI:NL:RVS:2011:BT1932
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- C.J.M. Schuyt
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraken vreemdeling op grond van artikel 3.92 Vreemdelingenbesluit 2000
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De minister had de aanvraag afgewezen op grond van artikel 3.92, eerste lid, onder a, sub 2, van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat deze bepaling volgens de minister niet van toepassing is op vreemdelingen die bij vertrek uit Nederland meerderjarig waren.
De vreemdeling, die de Turkse nationaliteit bezit, had Nederland kort na haar huwelijk in 1993 verlaten om met haar echtgenoot in Turkije te gaan wonen. Zij woont daar inmiddels meer dan vijftien jaar, leeft zelfstandig met haar kind sinds haar echtscheiding in 2004 en beschikt over werk in Turkije. Hoewel zij bijna twintig jaar in Nederland heeft gewoond en hier naar school is gegaan en gewerkt, is niet gebleken dat haar vertrek naar Turkije niet haar eigen keuze was.
De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat artikel 3.92, eerste lid, onder a, sub 2, Vb 2000 alleen ziet op vreemdelingen die minderjarig waren bij vertrek uit Nederland. Verder is Nederland volgens de minister niet het meest aangewezen land voor de vreemdeling, hetgeen gezien de omstandigheden redelijk is. De klacht van de vreemdeling faalt en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.