Uitspraak
200510017/1. Daarnaast is een aantal aanpassingen doorgevoerd als gevolg van nieuw beleid of gewijzigde inzichten. Tevens is het bestemmingsplan een aanvulling op het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2004". De planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2004" blijven van kracht, voor zover deze niet in onderhavig plan zijn gewijzigd.
200510017/1. Hierin is overwogen dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland zich, mede gelet op de brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Handreiking voor de praktijk" uit 2006 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ruimtelijke uitstraling van paardenfokkerijen verschilt van die van traditionele agrarische bedrijven, zoals rundveehouderijen, zodat hij het opnemen van een specifieke regeling voor paardenfokkerijen in beginsel redelijk heeft kunnen achten. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de VNG-brochure "Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening. Herziene handreiking voor de praktijk" uit 2009, waarnaar [appellante sub 1] verwijst, met betrekking tot het bestemmen van een paardenfokkerij wezenlijk verschilt van de VNG-brochure uit 2006. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel dan zij heeft gegeven in haar uitspraak van 23 mei 2007.
200510017/1volgt, waarbij in het bijzonder wordt gewezen op 2.29.1., dat de bestemming "Paardenfokkerij (Pf)" het geven van instructies en het trainen en africhten van paarden niet uitsluit, omdat deze activiteiten dienen te worden aangemerkt als inherent aan paardenfokkerijen. De Afdeling stelt vast dat in voorliggend bestemmingsplan geen wijzigingen zijn aangebracht in het toegestane gebruik van deze gronden, zodat het oordeel van de Afdeling in de hiervoor genoemde zaak onverkort van toepassing blijft. De Afdeling stelt voorts vast dat in dit verband onder het lesgeven en het geven van instructies eenzelfde activiteit moet worden verstaan, nu de raad en [appellante sub 1] dat ter zitting hebben toegelicht. Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het geven van instructies dan wel het lesgeven en het trainen en africhten van paarden in relatie tot de fokkerij is toegestaan binnen de bestemming "Paardenfokkerij (Pf)".
200510017/1heeft de Afdeling vastgesteld dat [appellante sub 1] niet beschikt over een bedrijfswoning op haar gronden, hetgeen thans niet anders is. Voorts heeft de Afdeling vastgesteld in 2.88.4. dat zich op de gronden van [appellante sub 1] een ruime verblijfsruimte bevindt, die gebouwd is met bouwvergunning. Vanaf 1991 wordt dit gebouw in strijd met de voorschriften van het vorige bestemmingsplan bewoond. Bij brief van 23 augustus 1996 heeft de desbetreffende gemeentelijke dienst de voormalige eigenaar medegedeeld dat het voornemen bestaat het college van burgemeester en wethouders te adviseren hem te gelasten het gebruik als woning te staken. Bij brief van 20 juni 1997 heeft de desbetreffende gemeentelijke dienst aan de voormalige eigenaar medegedeeld dat besloten is in afwachting van de toekomstige planologische regeling de beslissing over het al dan niet optreden tegen het gebruik van het stalgebouw als woning uit te stellen.
200510017/1goedkeuring onthouden, voor zover het betreft de gronden gelegen achter de paardenfokkerij, waarin een verbod was opgenomen voor het gebruik van weidegebieden met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden (Al)" als uitloop-/weidegebied voor paarden.
200510017/1is immers alleen goedkeuring onthouden aan artikel 17, lid 4.2, onder h, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2004" voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden (Al)" aan de [locatie 3]. Gelet hierop kan het college van gedeputeerde staten niet meer over de goedkeuring van deze bepaling voor deze gronden besluiten. Bedoelde onthouding van goedkeuring brengt met zich dat het gebruik van de desbetreffende gronden als uitloop-/weidegebied voor paarden is toegestaan, zodat het betoog van [appellante sub 1] in zoverre feitelijke grondslag mist. Ten aanzien van het trainen en africhten van paarden heeft de raad ter zitting verklaard dat deze activiteiten op de desbetreffende gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschapswaarden (Al)" zijn toegestaan.
200510017/1. De keuze voor de bestemmingen "Sport, golf (Sg)" en "Woondoeleinden I (W I)", die aan het perceel van [appellant sub 4] zijn toegekend, is gebaseerd op de geconstateerde feitelijke situatie. De Wassenaarse Golfclub Rozenstein (hierna: de Golfclub) huurt reeds sinds lange tijd gronden van [appellant sub 4] voor golfactiviteiten en maakt gebruik van de werkplaats die op het perceel van [appellant sub 4] gelegen is. [appellant sub 4] en de Golfclub hebben volgens de raad aangegeven dat een recht van overpad is gevestigd op het deel van het perceel achter de oude stal en voor de werkplaats, waardoor de Golfclub de werkplaats kan bereiken via het aangrenzende terrein naar de golfvoorzieningen. Uit een luchtfoto blijkt volgens de raad dat het gedeelte van het perceel waar het recht van overpad op ziet ook als toegangsweg tot de schuur wordt gebruikt die zich op het aangrenzende golfterrein bevindt. De raad acht een begrenzing van het woonperceel tot en met de voormalige agrarische oude stal van [appellant sub 4] passend, zowel ruimtelijk als wat betreft feitelijk gebruik. Deze begrenzing vloeit ook voort uit het beleid te voorkomen dat woonfuncties binnen het landelijk gebied uitwaaieren. Van belang is geacht dat de verschillende functies ruimtelijk van elkaar worden gescheiden met behoud van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten. De begrenzing volgt niet geheel de onderhavige dan wel toekomstige eigendomssituatie. Een woonbestemming voor dit deel van het perceel acht de raad niet gewenst gezien het gebruik, de toegangswegen en de situering grenzend aan de golfactiviteiten. Het door [appellant sub 4] aangeduide gebruik voor stalling van vrachtauto's en opslag is ruimtelijk ongewenst.
200510017/1, feitelijk geen wijzigingen hebben plaatsgevonden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat kan worden volstaan met een verwijzing naar 2.73.2. van de hiervoor genoemde uitspraak waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat een meer gedetailleerde bestemmingsregeling kan bijdragen aan het gemeentelijk beleid gericht op behoud van de waarden van het terrein en de landschappelijke kwaliteit van het gebied waarin het kampeerterrein gelegen is. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de raad heeft toegelicht dat de situering van de aanduidingen op de verbeelding zorg draagt voor een goede inpassing van het kampeerterrein in een landschappelijk waardevolle omgeving. Bovendien hebben Camping Duinhorst en [appellant sub 5A] niet aannemelijk gemaakt dat de wijzigingen met betrekking tot de aanduidingen "b" en "..." nopen tot een ander oordeel. Voor zover Camping Duinhorst en [appellant sub 5A] ter zitting hebben betoogd dat uit de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2007 in zaak nr.
200510017/1volgt dat de raad de bestemmingsregeling beleidsmatig had moeten motiveren en de raad dit thans opnieuw heeft nagelaten, stelt de Afdeling vast dat dat oordeel niet uit genoemde uitspraak volgt, zodat deze beroepsgrond feitelijke grondslag mist.
200510017/1) is met de vaststelling van het bestemmingsplan tevens een beslissing genomen omtrent de burgerlijke rechten en verplichtingen van [appellante sub 1]. Hiervan uitgaande begint de in artikel 6 van Pro het EVRM bedoelde termijn in een bestemmingsplanzaak die is voorbereid krachtens de Wro te lopen bij het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan door betrokkene. Anders dan [appellante sub 1] heeft gesteld blijft derhalve de tijdsduur die is gemoeid met de voorbereiding en vaststelling van een bestemmingsplan, voor het bepalen van de ingangsdatum van de in artikel 6 van Pro het EVRM bedoelde termijn buiten beschouwing. Eveneens blijft in dit geval de tijdsduur die is gemoeid met de bestemmingsplanprocedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2007, buiten beschouwing. Met deze uitspraak is het eerdere geschil omtrent de burgerlijke rechten en verplichtingen van [appellante sub 1] beslecht. In dit kader is van belang dat deze uitspraak niet noopte tot de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan. Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan in de onderhavige zaak is derhalve een nieuwe procedure aangevangen.