Art. 8:57 AwbArt. 54 Wet op de Raad van StateWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens verkeerde procespartij in rechtsbijstandvergoeding
Bij besluit van 19 augustus 2009 kende de raad een vergoeding toe van €1.066,13 aan een rechtsbijstandverlener voor verleende rechtsbijstand aan een belanghebbende. Tegen dit besluit maakte de rechtsbijstandverlener bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de belanghebbende ongegrond, maar stelde ten onrechte de belanghebbende als eiser aan in plaats van de rechtsbijstandverlener die het beroep had ingesteld.
De appellant stelde in hoger beroep dat hij geen procespartij was en dat de uitspraak daarom vernietigd moest worden. De Raad van State oordeelde dat het beroep wel ontvankelijk was, maar dat de rechtbank op een niet ingesteld beroep had beslist. De partijstelling moest correct zijn, zeker in zaken betreffende de Wet op de rechtsbijstand, waar soms alleen de rechtsbijstandverlener of alleen de belanghebbende partij is.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de rechtbank alsnog op het juiste beroep moet beslissen. Tevens werd het door appellant betaalde griffierecht van €112,00 terugbetaald. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de rechtbank moet alsnog op het juiste beroep beslissen.
Uitspraak
201102964/1/H2.
Datum uitspraak: 14 september 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Dinteloord, gemeente Steenbergen,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 januari 2011 in zaak nr. 10/598 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (voorheen de raad voor rechtsbijstand 's-Hertogenbosch; hierna: de raad).
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft de raad aan [belanghebbende], naar aanleiding van door hem op basis van een toevoeging, als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand, aan [appellant] verleende rechtsbijstand, een vergoeding toegekend van € 1.066,13.
Bij besluit van 6 januari 2010 heeft de raad het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2011, verzonden op 26 januari 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 9 maart 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 april 2011.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:57 vanPro de Algemene wet bestuursrecht om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
2. Overwegingen
2.1. Bij het besluit van 19 augustus 2009 heeft de raad de vergoeding voor [belanghebbende] voor door hem in een belastingzaak aan [appellant] verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.066,13. Bij besluit van 6 januari 2010 heeft de raad dat besluit gehandhaafd en de toegekende vergoeding ongewijzigd gelaten, omdat een mediationbijeenkomst niet kan worden aangemerkt als een zitting die, indien de rechtsbijstandverlener daarbij aanwezig is, recht geeft op een extra vergoeding.
2.2. [appellant] betoogt in hoger beroep uitsluitend dat de rechtbank hem ten onrechte heeft aangemerkt als eiser, met [belanghebbende] als gemachtigde. Volgens [appellant] was hij geen procespartij en dient de uitspraak van de rechtbank daarom te worden vernietigd.
2.3. Anders dan de raad in zijn verweerschrift heeft betoogd, is er geen grond voor het oordeel dat het hoger beroep wegens het ontbreken van voldoende procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De enkele grond van [appellant] dat de rechtbank de uitspraak ten onrechte op zijn naam heeft gesteld omdat hij geen beroep heeft ingesteld, levert voldoende procesbelang op. De aanduiding van partijen dient juist te zijn en de rechtbank kan en mag slechts beslissen op een bij haar ingesteld beroep van degene die zij als eiser heeft aangemerkt. In zaken betreffende de Wet op de rechtsbijstand klemt dit temeer omdat in sommige gevallen alleen de rechtsbijstandverlener en in andere gevallen alleen de rechtzoekende belanghebbende is, terwijl zich ook situaties kunnen voordoen waarin beiden belanghebbende zijn. Daarom is het van belang dat er duidelijkheid bestaat wie beroep heeft ingesteld.
2.3.1. De Afdeling constateert dat zowel uit het bij de rechtbank ingediende beroepschrift van 17 februari 2010 als uit het aanvullende beroepschrift van 18 maart 2010 duidelijk blijkt dat het beroep is ingesteld door [belanghebbende] op eigen naam en titel en niet namens [appellant]. Ook het bezwaar was gemaakt door [belanghebbende] zelf. De rechtbank heeft het beroep dan ook ten onrechte opgevat als te zijn ingesteld door [appellant] en heeft hem in haar uitspraak ten onrechte als eiser aangemerkt. Dat de rechtbank in de ontvangstbevestiging van het beroepschrift evenals in verdere correspondentie met [belanghebbende] het onderwerp wel correct heeft aangeduid als "het beroep van [belanghebbende]", laat onverlet dat de partijstelling bij de uitspraak juist dient te zijn. Het bij de uitspraak aanmerken van de verkeerde persoon als eiser kan in dit geval niet worden gezien als een kennelijke verschrijving. Dit betekent dat de rechtbank heeft beslist op een niet ingesteld beroep. De uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Nu de rechtbank op het door [belanghebbende] ingestelde beroep niet heeft beslist, dient zij dit alsnog te doen.
Het betoog slaagt.
2.4. Het hoger beroep is gegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.6. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellant] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 januari 2011 in zaak nr. 10/598;
III. bepaalt dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 112,00 (zegge: honderdtwaalf euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.