Uitspraak
200902449/1/H2).
Raad van State
De appellant had een aanvraag ingediend voor een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) voor rechtsbijstand in een strafzaak in hoger beroep. De raad voor rechtsbijstand wees de aanvraag af omdat de rechtsbijstand reeds feitelijk was verleend voordat de aanvraag werd ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift door de gemachtigde advocaat was ingediend en niet door de appellant zelf.
De Raad van State oordeelde dat de advocaat namens de appellant had gehandeld en dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en behandelde het beroep inhoudelijk. De Raad bevestigde dat de weigering van de toevoeging terecht was omdat de aanvraag te laat was ingediend, na feitelijke verlening van de rechtsbijstand.
De Raad verwierp het argument van appellant dat de aanvraag binnen vier weken na de laatste rechtshandeling moest worden ingediend en oordeelde dat de raad bevoegd was de toevoeging te weigeren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken, maar het betaalde griffierecht voor het hoger beroep werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toevoeging wordt ongegrond verklaard en de aanvraag wordt afgewezen.