ECLI:NL:RVS:2011:BR3825
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Geen verruiming hardheidsclausule mvv-vereiste bij minderjarige vreemdeling
De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit tot afwijzing van een verblijfsvergunning voor een minderjarige vreemdeling vernietigde. De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als pleegkind.
De kern van het geschil is de toepassing van de hardheidsclausule in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, die de minister discretionaire bevoegdheid geeft om het mvv-vereiste buiten toepassing te laten in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank vond dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling niet op grond van deze clausule vrijgesteld kon worden, mede omdat de vreemdeling feitelijk in een vergelijkbare situatie verkeerde als de vrijgestelde groep schoolgaande minderjarigen met drie jaar onafgebroken verblijf.
De Raad van State oordeelt echter dat de bevoegdheid van de minister beperkt en discretionair is en dat de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden toegepast. De enkele gelijkenis met de vrijgestelde categorie is onvoldoende om toepassing van de clausule te rechtvaardigen. De minister heeft een ruime beoordelingsmarge en heeft in redelijkheid kunnen besluiten de clausule niet toe te passen.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Tevens worden andere beroepsgronden die niet in hoger beroep aan de orde zijn gesteld buiten beschouwing gelaten. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.