ECLI:NL:RVS:2011:BR3812
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mvv-vereiste en gezinsleven vreemdeling met minderjarig Nederlands kind
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regelt. De vreemdeling woont al geruime tijd in Nederland en onderhoudt gezinsleven met haar minderjarige dochter, die de Nederlandse nationaliteit bezit. De minister weigerde de vreemdeling vrijstelling van het mvv-vereiste, een machtiging tot voorlopig verblijf.
De Raad van State overweegt dat het gezinsleven tussen de vreemdeling en haar dochter erkend wordt, evenals het belang van de dochter om zowel met haar moeder als haar vader contact te onderhouden. Echter, het gezinsleven is ontstaan terwijl de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had en er zijn geen objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland voort te zetten. De minister heeft een 'fair balance' gemaakt tussen het persoonlijke belang van de vreemdeling en het algemeen belang van Nederland.
De Raad verwijst naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waaronder het arrest Ciliz, en benadrukt dat in dit geval geen concrete feiten zijn aangevoerd die het verblijf in Nederland noodzakelijk maken voor een zinvolle bijdrage aan de omgangsregeling. De hardheidsclausule is niet van toepassing omdat de vreemdeling geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die het vasthouden aan het mvv-vereiste onbillijk maken.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. De minister heeft naar het oordeel van de Raad in redelijkheid besloten de aanvraag af te wijzen en het mvv-vereiste toe te passen in het belang van het Nederlandse algemeen belang.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.