ECLI:NL:RVS:2011:BR3783
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende individuele bescherming
De minister voor Immigratie en Asiel heeft een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de voorzieningenrechter ten onrechte de specifieke onderscheidende kenmerken van de vreemdeling heeft betrokken bij de beoordeling van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze bepaling en artikel 15 van Pro de richtlijn 2004/83/EG bieden bescherming alleen in uitzonderlijke situaties van extreem geweld waarbij elke burger een reëel risico loopt.
Verder is geoordeeld dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling onvoldoende geloofwaardig was vanwege tegenstrijdigheden en gebrek aan concrete informatie. De algemene veiligheidssituatie in Kandahar, Afghanistan, was niet zodanig verslechterd dat terugkeer strijdig zou zijn met artikel 3 EVRM Pro.
Ten slotte is vastgesteld dat de aanvraag terecht in de aanmeldcentrumprocedure is afgehandeld en dat de vreemdeling onvoldoende bewijs heeft overgelegd. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.