ECLI:NL:RVS:2011:BR3259

Raad van State

Datum uitspraak
27 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201100222/1/H1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • P. Lodder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 lid 3 WROArt. 20 lid 1 Bro
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bouwvergunning voor carport in strijd met bestemmingsplan

Het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout weigerde op 15 april 2008 aan appellant vrijstelling en een lichte bouwvergunning voor het bouwen van een carport op een perceel in Oosterhout te verlenen, omdat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan "Oosterhout-Zuid". Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank die het besluit vernietigde maar de rechtsgevolgen in stand liet, stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de stedenbouwkundige het perceel en vergelijkbare situaties in de wijk voldoende heeft onderzocht. De rechtbank heeft de gebreken in de motivering van het collegebesluit hersteld en de rechtsgevolgen terecht in stand gelaten. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat appellant geen concrete toezeggingen van het college kon aantonen.

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen. De Raad volgt vaste rechtspraak dat een fout van het college niet herhaald hoeft te worden en dat in de vergelijkbare gevallen geen vergunning conform wet- en regelgeving was verleend. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201100222/1/H1.
Datum uitspraak: 27 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Oosterhout,
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 november 2010 in zaak nr. 10/1405 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout.
1. Procesverloop
Bij besluit van 15 april 2008 heeft het college geweigerd aan [appellant] vrijstelling en een lichte bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een carport/overkapping op het perceel [locatie A] te Oosterhout.
Bij besluit van 25 februari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard onder instandlating van de weigering aan hem vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.
Bij uitspraak van 17 november 2010, verzonden op 29 november 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 februari 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2011, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2011, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. R.G. Poel, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.E.J. Wuyts, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een carport met een lengte van 6,10 m, een breedte van 4,90 m en een hoogte van 2,70 m, aansluitend aan de bestaande garage op het perceel. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Oosterhout-Zuid".
2.2. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1° van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro) komt voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een bijgebouw bij een woongebouw, mits het aantal woningen gelijk blijft.
2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 25 februari 2010 in stand heeft gelaten. Daartoe voert hij aan dat de stedenbouwkundige van de gemeente de feitelijke situatie in de wijk onvoldoende heeft bekeken, zodat een ondeugdelijk onderzoek aan het weigeren van de vrijstelling ten grondslag is gelegd.
2.3.1. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank is de stedenbouwkundige M.M. Bakker ter plaatse geweest waar hij het perceel van [appellant] alsmede verschillende carports in de wijk Oosterheide heeft bekeken. Hoewel hij niet alle straten in de wijk heeft bezocht, zijn in ieder geval de door [appellant] genoemde carports die in de wijk zijn gerealiseerd, bekeken en onderzocht. Hieruit volgt genoegzaam dat de stedenbouwkundige de feitelijke situatie in de wijk heeft beoordeeld. Daarbij is het niet onjuist te achten dat de in het in mei 2010 vastgestelde "Hoekenboek 2010" opgenomen beleidsregels bij de beoordeling zijn betrokken. Indien een nieuw besluit zou moeten worden genomen, zou het college overeenkomstig deze regels moeten handelen.
Nu de gebreken in de motivering van het besluit van 25 februari 2010 ter zitting bij de rechtbank zijn hersteld en [appellant] zich daarover in voldoende mate heeft kunnen uitlaten, heeft de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. In dit oordeel schuilt, anders dan [appellant] betoogt, geen tegenstrijdigheid. Het betoog faalt.
2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij erop mocht vertrouwen dat hem vrijstelling en bouwvergunning zou worden verleend.
2.4.1. Het betoog faalt. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college vrijstelling en bouwvergunning zou verlenen. Dat [appellant] naar aanleiding van uitlatingen omtrent eerder ingediende principeverzoeken - wat daar ook van zij - materialen heeft gekocht, dient derhalve voor zijn risico te komen.
2.5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In het geval van de [locatie B] is door het college ten onrechte bouwvergunning verleend. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 januari 2010 in zaak nr.
200903132/1) strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het college een gemaakte fout moet herhalen. In de overige door [appellant] bedoelde gevallen is sprake van een carport die zonder de vereiste bouwvergunning is gebouwd. In geen enkel geval is in overeenstemming met wet- en regelgeving door het college bouwvergunning verleend voor een gelijke situatie.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Lodder
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011
17-713.