ECLI:NL:RVS:2011:BR2059
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling niet onrechtmatig staande gehouden op grond van busproject; redelijk vermoeden illegaal verblijf onvoldoende onderbouwd
De vreemdeling werd op 25 maart 2011 staande gehouden en in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, gebaseerd op het zogenaamde busproject waarbij vrouwen van Afrikaanse afkomst met de bus vanuit Amsterdam naar duurdere woonwijken in Kennemerland reizen om daar schoonmaakwerkzaamheden te verrichten.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Raad van State oordeelt anders. De minister baseerde het vermoeden op vier voorwaarden die de vreemdeling voldeed, maar de Raad stelt vast dat de onderzoeksgegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om te concluderen dat personen die aan deze voorwaarden voldoen illegaal verblijven.
De Raad overweegt dat het voldoen aan de voorwaarden op zichzelf niet leidt tot het oordeel dat sprake is van illegaal verblijf. Bovendien is de bewaring van de vreemdeling niet in redelijkheid gerechtvaardigd, ook al verbleef hij ten tijde van de bewaring niet rechtmatig in Nederland. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en er wordt een vergoeding toegekend.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond wegens onvoldoende onderbouwing van het redelijk vermoeden van illegaal verblijf.