201011419/1/H1.
Datum uitspraak: 13 juli 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Baarle-Nassau, en [appellant C], wonend te Baarle-Hertog (België),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 15 oktober 2010 in zaak nr. 10/2041 in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam.
Bij besluit van 10 november 2009 heeft het college de op 18 april 1984 aan [appellant C] verleende bouwvergunning voor het oprichten van een schaapskooi op het perceel [locatie] te Chaam, gemeente Alphen-Chaam (hierna: het perceel), ingetrokken.
Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college het door [appellant C] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 10 november 2009 in stand gelaten.
Bij uitspraak van 15 oktober 2010, verzonden op 18 oktober 2010, heeft de rechtbank het door [appellant C] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] en [appellant C] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 november 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2011, waar [appellant A] en [appellant B] en [appellant C], vertegenwoordigd door mr. P.J.A. Engelvaart, en het college, vertegenwoordigd door J.J.M. Roelands, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2.1. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
[appellant A] en [appellant B] zijn bij de aangevallen uitspraak geen belanghebbende, als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, omdat niet hun beroep, maar dat van [appellant C] daarbij ongegrond is verklaard, terwijl hun belang niet tegengesteld is aan dat van [appellant C].
Derhalve dient het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] niet-ontvankelijk te worden verklaard.
2.2. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder c, kunnen burgemeester en wethouders de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen de in de bouwverordening bepaalde termijn geen begin is gemaakt met de bouwwerkzaamheden.
Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder a, van de bouwverordening Alphen-Chaam 2007 (hierna: de bouwverordening), zoals deze gold ten tijde van belang, kunnen burgemeester en wethouders op grond van het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken indien binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt.
2.3. [appellant C] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was de bouwvergunning in te trekken, dan wel niet in redelijkheid de bouwvergunning heeft kunnen intrekken, nu ten tijde van belang een begin was gemaakt met de bouwwerkzaamheden aan de vergunde schaapskooi.
2.3.1. Binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning is geen begin gemaakt met de bouwwerkzaamheden, zodat het college bevoegd was de bouwvergunning in te trekken.
Bij uitspraak van 16 februari 2011, in zaak nr.
201006391/1/H1heeft de Afdeling overwogen dat met de door [appellant C] bedoelde bouwwerkzaamheden op het perceel geen uitvoering aan de in 1984 verleende bouwvergunning voor de bouw van een schaapskooi werd gegeven. Overwogen is dat niet onaannemelijk wordt geacht dat het bouwwerk bestemd is voor het houden van paarden. In zoverre is, anders dan [appellant C] betoogt, vast komen te staan dat geen begin met de bouwwerkzaamheden aan de vergunde schaapskooi is gemaakt, zodat het college dit gestelde belang niet in zijn belangenafweging diende te betrekken.
In hetgeen [appellant C] voorts heeft betoogd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de bouwvergunning in te trekken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het door [appellant C] gestelde belang bij het zonder vergunning gebouwde bouwwerk op het perceel, wat daar verder ook van zij, niet relevant is bij de intrekking van de bouwvergunning voor de schaapskooi. De door [appellant C] ter zitting naar voren gebrachte omstandigheid dat vanwege familieomstandigheden niet eerder is begonnen met de bouw van de schaapskooi, leidt niet tot een ander oordeel.
2.4. Voor zover [appellant C] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte is afgeweken van het advies van de commissie voor bezwaarschriften van Baarle-Nassau, wordt overwogen dat artikel 7:13, zevende lid, van de Awb afwijking van een dergelijk advies mogelijk maakt. Gesteld noch gebleken is voorts dat het college in het besluit van 20 april 2010 niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het van het advies is afgeweken.
2.5. Het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van [appellant C] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep van [appellant A] en [appellant B] niet-ontvankelijk;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.
w.g. Offers w.g. Van Driel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2011