Uitspraak
200904857/1/V6en 4 mei 2010 in zaak nr.
200904498/1/V6, aan dat de onderneming ten tijde van de overtreding in het handelsregister stond ingeschreven als een vennootschap onder firma met [wederpartij A] en [wederpartij B] als haar vennoten en dat het moment van de overtreding bepalend is. Dat [wederpartij B] volgens de rechtbank daadwerkelijk sinds april 2009 geen vennoot meer was kan volgens de minister niet tot een ander oordeel leiden, nu [wederpartij A]r en [wederpartij B] de voortzetting van de onderneming als eenmanszaak meteen hadden kunnen laten inschrijven in het handelsregister en zij niet anderszins hebben gestaafd dat de vennootschap reeds op 30 april 2009 is ontbonden.
200700303/1) wordt het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, opgevat als het laten verrichten van arbeid.
200908558/1/V6). Ook bij de toepassing van deze beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is.
200701639/1volgt dat het de verantwoordelijkheid van een werkgever is om, voordat de arbeid een aanvang neemt, na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Dat [wederpartij A] uitdrukkelijk heeft geïnformeerd naar de verblijfsstatus van de vreemdeling, de vreemdeling een legitimatiebewijs aan [wederpartij A] heeft laten zien en [wederpartij A] meer informatie en bewijsstukken wilde zien en hij daarom tegen de vreemdeling zou hebben gezegd dat hij nergens aan mocht komen, laat onverlet dat [wederpartij A] de vreemdeling alleen in de onderneming heeft achtergelaten en aldus de vreemdeling de gelegenheid heeft geboden de in 2.2 omschreven arbeid te verrichten voordat de door [wederpartij A] te verrichten controle was afgerond. Dat [wederpartij A] bij zijn vertrek de vreemdeling niet heeft buitengesloten en in de onderneming heeft laten wachten omdat er niets te stelen viel en in de verwachting dat de vreemdeling geen arbeid zou verrichten biedt, in aanmerking genomen dat het ontbreken van opzet op zichzelf niet met zich brengt dat de boete dient te worden gematigd, nu voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav, opzet geen vereiste is (zie onder meer uitspraak van 29 juli 2009 in zaak nr.
200808107/1/V6), evenmin grond voor het oordeel dat de minister de boete had dienen te matigen wegens verminderde verwijtbaarheid.