ECLI:NL:RVS:2011:BQ8492
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel en interim measure EHRM
De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de minister de interim measure van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet had betrokken bij zijn besluitvorming, waardoor de vreemdeling onvoldoende gelegenheid had tot een deugdelijke zienswijze.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad overwoog dat de interim measure door de president van het EHRM niet was gemotiveerd en dat de stukken geen duidelijkheid boden over de reden van toewijzing. De Raad stelde vast dat de interim measure slechts een tijdelijk uitstel van uitzetting betreft en losstaat van de beoordeling van de verblijfsvergunning.
Verder oordeelde de Raad dat het eerdere besluit van gelijke strekking was en dat er geen sprake was van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen. De rechtbank had ten onrechte het besluit van 18 november 2009 getoetst op basis van de interim measure. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.