ECLI:NL:RVS:2011:BQ5563
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- B. van Wagtendonk
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdeling niet voldoet aan duurzaamheidsvereiste in verblijfsprocedure
De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage waarin werd geoordeeld dat het door de minister gevoerde beleid omtrent artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag ruimte biedt voor een individuele beoordeling van het duurzaamheids- en proportionaliteitsvereiste, ook als de vreemdeling minder dan tien jaar in een uitzichtloze situatie verkeert.
De rechtbank had overwogen dat de vreemdeling al zeven jaar in een uitzichtloze situatie verkeerde, met ernstige medische klachten en zonder familieondersteuning, en dat de minister dergelijke situaties als uitzonderlijke humanitaire gevallen wenst te voorkomen. De minister stelde echter dat het beleid duidelijk voorschrijft dat het duurzaamheidsvereiste geldt vanaf tien jaar verblijf zonder verblijfsvergunning, gerekend vanaf de eerste asielaanvraag.
De Raad van State oordeelt dat het beleid zoals vastgelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 geen ruimte laat voor de door de rechtbank bedoelde beoordeling bij een kortere verblijfsduur dan tien jaar. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van 29 juni 2009 gehandhaafd.