ECLI:NL:RVS:2011:BQ4615
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onontvankelijkheid beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel onjuist
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 23 maart 2009 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering op grond van artikel 29 lid 1 onder Pro d van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk omdat de vreemdeling geen zienswijze had ingediend tegen het standpunt van de staatssecretaris.
De Raad van State oordeelt dat deze niet-ontvankelijkverklaring onjuist was omdat het besluit geen afzonderlijke besluitonderdelen bevat en dat het beroep ook beroepsgronden mag bevatten die niet in de zienswijze zijn aangevoerd, mits dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. De Afdeling vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en toetst het besluit van 23 maart 2009 inhoudelijk.
De vreemdeling stelde dat het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit Centraal-Irak ten onrechte was beëindigd, omdat de veiligheidssituatie niet duidelijk was verbeterd. De staatssecretaris verwees naar het ambtsbericht en het beleid van andere landen, en de Tweede Kamer had ingestemd met de beleidswijziging.
De Raad van State stelt vast dat de staatssecretaris ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de vreemdeling onvoldoende heeft aangetoond dat het beleid onredelijk was. De overige beroepsgronden zijn niet aan de orde omdat ze niet in hoger beroep zijn aangevoerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.