ECLI:NL:RVS:2011:BQ3783
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Beoordeling risico schending artikel 3 EVRM bij terugkeer Libische asielzoeker
De zaak betreft een hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter die het besluit van de minister van Justitie tot afwijzing van een verblijfsvergunning asiel vernietigde. De vreemdeling, een Libische asielzoeker, betoogde dat terugkeer naar Libië een schending van artikel 3 van Pro het EVRM zou opleveren vanwege het risico op detentie, mishandeling of foltering.
De minister stelde dat geen sprake was van een situatie waarin elke verwijdering naar Libië een schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert en dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Libische autoriteiten stond. De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom geen reëel risico bestaat, mede omdat het besluit verwees naar het WBV 2010/6 zonder nadere toelichting.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en oordeelde dat het onderscheid dat de minister maakt tussen verdachten van oppositionele activiteiten en anderen onvoldoende is onderbouwd. Ook de verwijzing naar de uitzettingspraktijk van Zweden kon de onduidelijkheid niet wegnemen. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bestaat bij terugkeer van de Libische asielzoeker en verklaart het hoger beroep ongegrond.