ECLI:NL:RVS:2011:BQ2719
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- H. Troostwijk
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep vreemdeling en gegrondverklaring hoger beroep minister inzake vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 10 januari 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank, die op 20 januari 2011 het beroep gegrond verklaarde, de bewaring ophefte en schadevergoeding toekende. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De vreemdeling stelde vervolgens incidenteel hoger beroep in, hoewel dit buiten de wettelijke termijn viel.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat noch de Algemene wet bestuursrecht noch de Vreemdelingenwet 2000 een grondslag bieden voor incidenteel hoger beroep na het verstrijken van de termijn, en dat ook artikel 5 EVRM Pro dit niet garandeert. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De minister voerde aan dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar China was, mede gelet op de contacten met de Chinese autoriteiten over de afgifte van laissez passer. De Raad van State stelde vast dat de minister nog steeds intensief contact onderhoudt en dat er geen concrete feiten zijn die het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op verwijdering aantonen. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
De Afdeling wees het verzoek van de vreemdeling om schadevergoeding af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 april 2011.
Uitkomst: Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard; het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.