ECLI:NL:RVS:2011:BQ2716
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen verlenging vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 15 april 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld en op 14 december 2010 werd de bewaring verlengd met twaalf maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond voor zover het gericht was tegen de verlenging van de bewaring en bepaalde de opheffing van de bewaring. Zowel de vreemdeling als de minister stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten op grond van hoofdstuk 5, waaronder de verlenging van de bewaring valt. Hoewel de rechtbank artikel 94 lid 3 Vw Pro 2000 als grondslag gebruikte, verandert dit niets aan het ontbreken van hoger beroepmogelijkheid.
De Raad van State benadrukte dat het uitsluiten van hoger beroep kan leiden tot uiteenlopende uitspraken en daarmee enige afbreuk doet aan rechtseenheid en rechtszekerheid, maar dat de wetgever dit bewust heeft aanvaard. Er was geen sprake van een ernstige schending van fundamentele rechtsbeginselen die een uitzondering op de onbevoegdheid zou rechtvaardigen.
De Afdeling verklaarde zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling ten bedrage van €437,00. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak op 15 april 2011.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de verlenging van vreemdelingenbewaring en veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten.