ECLI:NL:RVS:2011:BQ1048

Raad van State

Datum uitspraak
13 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201008409/1/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen besluit college van burgemeester en wethouders van Halderberge inzake stedenbouwkundige advisering

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellant] tegen een uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2010, waarin het beroep van [appellant] ongegrond werd verklaard. Het geschil betreft een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge, dat op 12 mei 2009 aan [appellant] mededeelde dat het college had ingestemd met een stedenbouwkundige advisering. Dit besluit werd door [appellant] bestreden, waarna het college op 11 november 2009 het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank bevestigde deze beslissing, wat leidde tot het hoger beroep bij de Raad van State, ingediend op 23 augustus 2010.

Tijdens de zitting op 15 maart 2011 werd de zaak behandeld, waarbij [appellant] in persoon verscheen en het college vertegenwoordigd werd door mr. R. Timmermans. [appellant] betoogde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de brief van 12 mei 2009 slechts een principe-uitspraak was en niet als een besluit kon worden aangemerkt volgens artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij stelde dat de mededeling van het college wel degelijk op rechtsgevolg gericht was.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de brief van 12 mei 2009 niet als een besluit kon worden gekwalificeerd, omdat deze geen bevoegdheid, recht, verplichting of juridische status creëerde of tenietdeed. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de brief geen rechtsgevolg had en dat het hoger beroep ongegrond was. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, en er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

201008409/1/H1.
Datum uitspraak: 13 april 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 juli 2010 in zaak
nr. 09/5503 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Halderberge.
1. Procesverloop
Bij brief van 12 mei 2009 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat het in zijn vergadering van 6 mei 2009 heeft besloten in te stemmen met de bij de brief gevoegde stedenbouwkundige advisering.
Bij besluit van 11 november 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 9 juli 2010, verzonden op 12 juli 2010, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 augustus 2010, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2011, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Timmermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 12 mei 2009 slechts een principe-uitspraak bevat over een op een later tijdstip definitief vast te stellen bouwplan en niet op enig rechtsgevolg is gericht, zodat die brief niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens hem is de mededeling dat het college heeft besloten in te stemmen met de bij de brief gevoegde stedenbouwkundige advisering, wel op rechtsgevolg gericht.
2.2.1. Op 21 april 2009 heeft het college een adviesnota vastgesteld. Daarin laat het [appellant] weten dat het niet afwijkt van zijn adviesnota van 24 maart 2009, waarin het heeft aangegeven in principe medewerking te verlenen aan het toestaan van maximaal twee woningen in maximaal twee bouwvolumes. In de adviesnota van 21 april 2009 heeft het tevens aangegeven dat het in het kader van een goede belangenafweging een second opinion zal vragen ten aanzien van de stedenbouwkundige inpasbaarheid van de bedoelde woningen. In de brief van 12 mei 2009 informeert het college [appellant] over de nieuwe stedenbouwkundige beoordeling.
De brief van het college van 12 mei 2009 kan niet anders worden gekwalificeerd dan als het aan [appellant] verstrekken van nadere informatie ten aanzien van zijn wens om ruimte-voor-ruimtewoningen te realiseren en behelst geen beslissing op een concrete bouwaanvraag, daargelaten of [appellant] een dergelijke aanvraag heeft ingediend. Bij deze brief is derhalve niet een bevoegdheid, recht, verplichting of juridische status gecreëerd of tenietgedaan. Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat deze brief op enig rechtsgevolg is gericht. Deze kan daarom niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog faalt.
2.3. Nu de brief van 12 mei 2009 niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, kan worden aangemerkt, is de rechtbank terecht niet toegekomen aan het betoog van [appellant] dat het college in strijd heeft gehandeld met het in artikel 3:3 van de Awb neergelegde verbod van détournement de pouvoir, en het in artikel 3:4, tweede lid van die wet neergelegde verbod van willekeur, en evenmin aan het betoog dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.
w.g. Hagen w.g. Van Roessel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011
457-619.