ECLI:NL:RVS:2011:BP8394
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerde inbewaringstelling vreemdeling wegens gebrek aan belangenafweging
De vreemdeling werd op 16 december 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De minister voerde aan dat feiten uit de asielprocedure bij de inbewaringstelling geen rol konden spelen omdat deze op dat moment niet bekend waren. Tevens wees hij op het gebruik van een vals identiteitsdocument en het plegen van een misdrijf. De rechtbank had echter geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de belangen van de bewaring zwaarder wegen dan die van de vreemdeling, zoals vereist in de Vreemdelingencirculaire 2000.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank, hoewel met een verbetering van de motivering. De minister had geen tijdige belangenafweging gemaakt en geen beroep gedaan op het beleid voor Dublinclaimanten. Hierdoor was de inbewaringstelling onvoldoende gemotiveerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens onvoldoende gemotiveerde inbewaringstelling.