ECLI:NL:RVS:2011:BP8391

Raad van State

Datum uitspraak
14 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201100242/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awbparagraaf A6/5.3.3.5 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling na tweede asielaanvraag

De zaak betreft het hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling onvoldoende gemotiveerd achtte. De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld na een eerdere afgewezen asielaanvraag, waarna hij een tweede asielaanvraag indiende. De rechtbank had geoordeeld dat bij de belangenafweging na deze tweede aanvraag onvoldoende rekening was gehouden met de aard en het tijdstip van deze aanvraag.

De minister stelde dat de vreemdeling na de eerdere afwijzing niet meer als asielzoeker kon worden aangemerkt en dat de belangenafweging daarom niet aan de tweede aanvraag gerelateerd hoefde te zijn. De Raad van State oordeelt echter dat de minister dit standpunt niet kan volgen, omdat de tweede asielaanvraag wel degelijk relevant is voor de belangenafweging.

De Raad van State stelt vast dat de minister in de beroepsprocedure wel degelijk heeft toegelicht waarom het belang van voortzetting van de inbewaringstelling zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling, mede vanwege de tweede asielaanvraag. Hierdoor is de situatie niet vergelijkbaar met eerdere jurisprudentie waarop de rechtbank zich baseerde. De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de inbewaringstelling wordt geacht rechtmatig te zijn.

Uitspraak

201100242/1/V3
Datum uitspraak: 14 maart 2011
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie en Asiel,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 december 2010 in zaak nr. 10/43422 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 30 december 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 januari 2011, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De vreemdeling betoogt dat het hoger beroep niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het ministerie van Justitie (lees: ministerie van Veiligheid en Justitie; hierna: het ministerie), waar de ondertekenaar van het hogerberoepschrift werkzaam is, geen partij was in de beroepsprocedure bij de rechtbank.
2.1.1. Vaststaat dat de ondertekenaar van het hogerberoepschrift gemachtigd is om namens de minister hoger beroep in te stellen. Blijkens de bewoordingen van het hogerberoepschrift is ook namens deze minister hoger beroep ingesteld. De vermelding van het ministerie op het briefpapier en bij de ondertekening maakt dit niet anders. Het betoog van de vreemdeling faalt derhalve.
2.2. De minister klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar de uitspraak van 19 oktober 2009 in zaak nr. 200905604/1/V3 (www.raadvanstate.nl), heeft overwogen dat de inbewaringstelling onvoldoende gemotiveerd is, nu de minister naast de bewaringsgronden niet heeft aangegeven waarom, gelet op de volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) vereiste concrete belangenafweging, hij de met de bewaring gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling. Het in genoemde paragraaf weergegeven beleid heeft de rechtbank aldus gelezen dat bij indiening van een asielaanvraag na inbewaringstelling een nadere concrete afweging van belangen plaats moet vinden die aan de asielaanvraag gerelateerd is en waarbij ook feiten en omstandigheden uit de asielprocedure worden meegewogen.
Hiertoe betoogt de minister dat hij over de aanspraken op een verblijfsvergunning asiel reeds eerder inhoudelijk heeft geoordeeld, zodat de vreemdeling niet kan worden aangemerkt als asielzoeker in de zin van het beleid neergelegd in voornoemde paragraaf van de Vc 2000 en bij de inbewaringstelling geen plaats is voor een aan de asielaanvraag gerelateerde belangenafweging. Voorts heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de situatie niet vergelijkbaar is met die in de door de rechtbank genoemde uitspraak.
2.2.1. Vaststaat dat voor de inbewaringstelling van de vreemdeling een eerdere asielaanvraag van hem is afgewezen. Na de inbewaringstelling heeft de vreemdeling een tweede asielaanvraag ingediend. Aldus kan de minister niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de vreemdeling na de tweede asielaanvraag niet als asielzoeker kan worden aangemerkt en bij de belangenafweging naar aanleiding van de tweede asielaanvraag geen rekening kan worden gehouden met deze aanvraag, in het bijzonder de aard en het tijdstip ervan. In zoverre treft de klacht geen doel.
Verder heeft de minister in de beroepsprocedure naast de bewaringsgronden aangegeven waarom hij de met de bewaring gediende belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de vreemdeling en daarbij gewezen op de omstandigheid dat de vreemdeling na de inbewaringstelling een tweede asielaanvraag heeft gedaan. Reeds om deze reden is de situatie als hier aan de orde niet vergelijkbaar met die in de door de rechtbank genoemde uitspraak. Voorts bestaat geen grond om te oordelen dat de minister, genoemde omstandigheid en de bewaringsgronden in aanmerking genomen, niet in redelijkheid aan het belang bij voortzetting van de maatregel meer gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang bij invrijheidstelling van de vreemdeling. In zoverre treft de klacht doel.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de minister de inbewaringstelling onvoldoende heeft gemotiveerd. De grief slaagt derhalve.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 16 december 2010 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 december 2010 in zaak nr. 10/43422;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin
voorzitter
w.g. Snijders
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2011
279
Verzonden: 14 maart 2011
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser