ECLI:NL:RVS:2011:BP8387
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- W.M.P. van Gemert
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 30 september 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen het voortduren van deze maatregel stelde hij beroep in bij de rechtbank 's Gravenhage, die dit beroep op 9 februari 2011 ongegrond verklaarde en tevens het verzoek om schadevergoeding afwees. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten op grond van hoofdstuk 5 van deze wet, waaronder het voortduren van vreemdelingenbewaring valt. Alleen bij ernstige schending van fundamentele rechtsbeginselen kan hiervan worden afgeweken, hetgeen in dit geval niet is vastgesteld.
De Afdeling concludeerde dat zij kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep en wees het verzoek om proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 11 maart 2011 door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring.