ECLI:NL:RVS:2011:BP7167

Raad van State

Datum uitspraak
9 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201007026/1/H3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verklaring omtrent het gedrag wegens ontbreken belang

De minister heeft op 4 september 2009 de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) aan appellant geweigerd. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk belang had bij een inhoudelijke beoordeling van de weigering, onder meer voor toekomstige sollicitaties.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat appellant ten tijde van de beslissing op bezwaar geen rechtens te beschermen belang meer had, omdat hij inmiddels een andere stage had voltooid en zijn opleiding niet had hoeven beëindigen. Een heroverweging van het besluit zou slechts van principiële betekenis zijn, wat onvoldoende is voor het aannemen van belang.

Voorts overwoog de Afdeling dat een eerder afgegeven VOG alleen geldt voor de functie waarvoor deze is aangevraagd en dat bij een nieuwe aanvraag opnieuw een beoordeling plaatsvindt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG en verklaart het hoger beroep ongegrond wegens ontbreken belang.

Uitspraak

201007026/1/H3.
Datum uitspraak: 9 maart 2011
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2010 in zaak nr. 09/3115 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 september 2009 heeft de minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) aan [appellant] geweigerd.
Bij besluit van 18 november 2009 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 10 juni 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2010, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2011, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.M.A. Verhulst en mr. S.L. de Koning, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In hoger beroep voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister terecht het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk heeft verklaard in verband met het ontbreken van belang, nu de stage waarvoor hij de VOG heeft aangevraagd niet langer beschikbaar is. In dit verband betoogt hij dat een burger nooit verweer kan voeren tegen de weigering om afgifte van een VOG als deze weigering een sollicitatie in de weg heeft gestaan, dus ook niet als die weigering volkomen ten onrechte zou hebben plaatsgevonden. Voorts betoogt [appellant] dat een beslissing omtrent het al dan niet terecht weigeren van de afgifte van de VOG van belang is met het oog op eventuele toekomstige sollicitaties.
2.1.1. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat [appellant] ten tijde van de beslissing op bezwaar nog een rechtens te beschermen belang had bij het verkrijgen van een beslissing omtrent het al dan niet terecht weigeren van de VOG. Hierbij is van belang dat [appellant] hangende het bezwaar inmiddels een andere stage had voltooid en niet is gebleken dat hij zijn opleiding heeft moeten beëindigen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat [appellant] niet meer kon bewerkstelligen wat hij met het maken van zijn bezwaar beoogde. Een heroverweging van het door hem bestreden besluit en beantwoording van de vraag of de VOG terecht door de minister is geweigerd, zou in dit geval slechts van principiële betekenis zijn, hetgeen niet voldoende is om een belang aan te nemen.
Het betoog dat een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar volgens [appellant] van belang is voor een aanvraag van een VOG bij eventuele toekomstige sollicitaties kan niet leiden tot een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 september 2010 in zaak nr.
201003549/1kan een eenmaal afgegeven VOG alleen worden gebruikt voor de functie waarvoor die VOG is aangevraagd. Bij de aanvraag van een nieuwe VOG vindt opnieuw een beoordeling plaats, waarbij de termijn waarbinnen terug gekeken wordt of de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie door tijdsverloop een andere is dan welke bij deze aanvraag is betrokken. Het betoog faalt.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.
w.g. Borman w.g. Van Hardeveld
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011
312-697.