ECLI:NL:RVS:2011:BP6857
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen buitenbehandelingstelling verblijfsvergunning minderjarige vreemdeling
De zaak betreft een hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een minderjarige vreemdeling tegen de buitenbehandelingstelling van zijn aanvraag voor verlenging van een verblijfsvergunning gegrond had verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat de minister de correspondentie had moeten sturen naar het adres van de wettelijk vertegenwoordiger, maar dit niet had gedaan, waardoor de vreemdeling niet in de gelegenheid was gesteld het verzuim te herstellen.
De Raad van State overweegt dat de minister overeenkomstig het beleid in de Vreemdelingencirculaire 2000 (paragraaf B1/9.7.7.1) de correspondentie naar het adres van de wettelijk vertegenwoordiger had moeten sturen. Echter, de wettelijk vertegenwoordiger had op het aanvraagformulier het adres van de vreemdeling ingevuld en aangegeven dat de minderjarige vreemdeling niet op hetzelfde adres woonde, maar het formulier toch met dat adres naar de IND gezonden. De minister mocht ervan uitgaan dat het opgegeven adres juist was en was niet verplicht zelfstandig onderzoek te doen naar het adres van de wettelijk vertegenwoordiger.
Daarom was het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling niet in de gelegenheid was gesteld het verzuim te herstellen onjuist. De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.