Uitspraak
201100012/2/V3, heeft de voorzitter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vreemdeling niet zal worden uitgezet totdat na de behandeling van het verzoek ter zitting uitspraak is gedaan.
Raad van State
De vreemdeling verzocht om een voorlopige voorziening tegen zijn uitzetting naar Italië, nadat de minister van Justitie zijn asielaanvraag had afgewezen en de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard.
De vreemdeling stelde dat Italië bij de asielprocedure in strijd met Unierecht handelt en dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) twijfels heeft geuit over de kwaliteit van de Italiaanse asielprocedure, onder verwijzing naar het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland. Hij voerde aan dat de minister de asielaanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 3, tweede lid, van Verordening (EG) 343/2003.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aangevoerde algemene informatie over Italië onvoldoende concreet was om te concluderen dat overdracht in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. De persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling boden geen indicatie dat hij in Italië een onaanvaardbare behandeling zou ondergaan. De voorzitter wees het verzoek af, maar veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
Deze uitspraak bevestigt dat algemene rapporten en documenten niet zonder meer leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de overdracht leidt tot schending van fundamentele rechten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Italië wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van strijdigheid met artikel 3 EVRM.