Uitspraak
200801327/1) moet uit de tekst van artikel 19, eerste lid, van de WRO en uit de Nota van Wijziging (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 311, nr. 7, blz. 12) worden afgeleid dat indien op grond van artikel 19, tweede of derde lid, van de WRO vrijstelling kan worden verleend, geen vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van die wet kan worden verleend. Ook indien het project een ingrijpende inbreuk maakt op het geldende planologische regime, wat daarvan zij, kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juli 2007 in zaak nr.
200606490/1), toepassing worden gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO. De vergelijking met de door [appellanten] in verband met hun betoog aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 december 2003 in zaak nr. 200302074/1 (www.raadvanstate.nl) gaat voorts niet op, reeds omdat de zaak die heeft geleid tot deze uitspraak betrekking heeft op een andere rechtsvraag, namelijk of is voorzien in het vereiste planologische kader voor het volgen van de inmiddels niet meer geldende anticipatieprocedure.