ECLI:NL:RVS:2011:BP3277
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak rechtbank over vreemdelingenbewaring en gebruik handboeien
De vreemdeling werd op 23 oktober 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State stelde vast dat het proces-verbaal van 23 oktober 2010 onjuist was omtrent het gebruik van handboeien tijdens het vervoer van de vreemdeling. Uit een aanvullend proces-verbaal van 3 november 2010 bleek dat handboeien wel waren gebruikt uit veiligheidsoverwegingen, wat in overeenstemming was met de Ambtsinstructie. Hierdoor was de bewaring niet onrechtmatig.
Verder oordeelde de Raad dat de periode tussen het strafrechtelijk heenzenden en ophouding niet te lang was en dat het indienen van een claimverzoek bij het bureau Dublin tijdig was gebeurd. Het hoger beroep van de minister werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.