ECLI:NL:RVS:2011:BP3268
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens schending hoor en wederhoor
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld en had tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld bij de rechtbank. Deze verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de rechtbank haar oordeel over het zicht op uitzetting naar China mede had gebaseerd op informatie die ambtshalve bekend was, maar die niet in het dossier was opgenomen en waarover de vreemdeling geen gelegenheid had gekregen zich uit te laten. Hierdoor was het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, wat een fundamentele schending van het procesrecht inhoudt.
Op grond hiervan nam de Afdeling het hoger beroep toch in behandeling, ondanks dat de Vreemdelingenwet 2000 dit niet toestaat in dit soort zaken. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de zaak werd terugverwezen voor een nieuwe behandeling met inachtneming van het hoor en wederhoor-beginsel.
Daarnaast stelde de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan zal beslissen.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.