ECLI:NL:RVS:2011:BP2541
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering verblijfsvergunning asiel voor bekeerde Iraanse moslim
De vreemdeling, een voormalige moslim die zich tot het christendom heeft bekeerd, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie wees dit verzoek op 15 augustus 2008 af, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de vreemdeling bij terugkeer naar Iran een reëel risico liep op een met artikel 3 EVRM Pro strijdige behandeling vanwege zijn bekeringsactiviteiten.
De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het standpunt van de staatssecretaris ondeugdelijk was gemotiveerd en dat het beleid ten aanzien van Iraanse bekeerde moslims niet kennelijk onredelijk was.
De Raad van State overwoog dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat van hem geen terughoudendheid kon worden verwacht bij het verrichten van bekeringsactiviteiten in Iran. Tevens werd bevestigd dat artikel 9 EVRM Pro het land niet verplicht om bescherming te bieden aan vreemdelingen die hun godsdienst niet gelijk kunnen uitoefenen in hun land van herkomst. Ook het beroep op moties van de Tweede Kamer faalde omdat deze geen rechten scheppen voor vreemdelingen.
Uiteindelijk verklaarde de Raad van State het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waardoor het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning asiel in stand blijft.