ECLI:NL:RVS:2011:BP2529
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voortgezet verblijf aan Turkse vreemdeling
De vreemdeling, een Turkse staatsburger, heeft meerdere keren een machtiging tot voorlopig verblijf en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenoot aangevraagd. Na een periode van vertrek naar Turkije, diende zij een aanvraag in voor voortgezet verblijf. De rechtbank had geoordeeld dat zij niet langer gezinsleven onderhoudt met haar echtgenoot en dat artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 niet op haar van toepassing is.
De vreemdeling stelde dat zij na haar binnenkomst op 29 augustus 2006 enige tijd bij haar echtgenoot verbleef en dat artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80 op haar van toepassing zou zijn. De Raad van State oordeelde echter dat artikel 13 alleen Pro van toepassing is op Turkse werknemers of hun gezinsleden die arbeid verrichten of daartoe voornemens zijn. Uit de stukken bleek dat de vreemdeling nooit arbeid heeft verricht en ook niet de intentie had dit te doen.
Verder werd vastgesteld dat de vreemdeling niet langer gezinsleven onderhoudt met haar echtgenoot, hetgeen niet is bestreden. Hierdoor kon zij niet als werknemer of gezinslid van een werknemer worden aangemerkt in de zin van artikel 13. De rechtbank had ten onrechte aangenomen dat artikel 13 op Pro haar van toepassing was, waardoor de grieven falen.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor voortgezet verblijf wordt afgewezen en het hoger beroep ongegrond verklaard.