ECLI:NL:RVS:2011:BP1927
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens uitzettingsonzekerheid naar Griekenland
De zaak betreft hoger beroep van de minister van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de inbewaringstelling van een vreemdeling onrechtmatig heeft geoordeeld vanaf 1 oktober 2010. De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op overdracht aan Griekenland op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank had bij haar oordeel mede betrokken een mededeling van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en een brief van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin werd aangekondigd dat het EHRM in alle toekomstige zaken met overdracht aan Griekenland een interim measure zou treffen en de Nederlandse autoriteiten verzocht voorlopig geen asielzoekers naar Griekenland over te dragen.
De minister klaagde dat de rechtbank ten onrechte deze mededelingen had betrokken en daarmee zijn beleidsvrijheid had aangetast. De Raad van State oordeelde echter dat door de interim measure van het EHRM vanaf 1 oktober 2010 geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn meer bestond, waardoor de inbewaringstelling onrechtmatig was. De grief van de minister faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling. De Raad van State verbeterde de gronden van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de vreemdelingenbewaring vanaf 1 oktober 2010 onrechtmatig is wegens het ontbreken van zicht op uitzetting naar Griekenland.