Uitspraak
200905011/1/H1, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.22 van de Wro dat de wetgever door de opneming van de, ten opzichte van artikel 17 van Pro de WRO, stringentere clausulering "met het oog op een tijdelijke behoefte" geen beperking, maar een voortzetting heeft beoogd van het toepassingsbereik zoals dat voortvloeit uit de jurisprudentie ter zake van artikel 17 van Pro de WRO.