ECLI:NL:RVS:2011:BP0524
Raad van State
- Herziening
- H.G. Lubberdink
- P.A. Offers
- C.J.M. Schuyt
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring na generieke interim measure EHRM voor Irakese asielzoekers
De vreemdeling was op 1 november 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en voerde aan dat de bewaring op 3 november 2010 had moeten worden opgeheven vanwege een generieke interim measure van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet op deze beroepsgrond had beslist, wat in strijd was met artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hof stelde vast dat de generieke interim measure van het EHRM, die tot 24 november 2010 gold en uitzetting naar Bagdad verbood, ook gevolgen had voor de voortzetting van de vreemdelingenbewaring.
De minister voerde aan dat de beleidsregel in paragraaf C22/5.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 alleen ziet op individuele interim measures en niet op generieke maatregelen, en dat de bewaring daarom mocht worden voortgezet. De Raad van State verwierp dit standpunt en achtte aannemelijk dat de bewaring van vergelijkbare Irakese asielzoekers ook was opgeheven. De bewaring van de vreemdeling had dan ook per 3 november 2010 moeten worden beëindigd.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 5 januari 2011 wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend voor de periode van 3 november 2010 tot 5 januari 2011 en werden proceskosten aan de minister opgelegd.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring werd per 5 januari 2011 opgeheven en de vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend.