ECLI:NL:RVS:2010:BP0425
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.W.M. Bijloos
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en gebrek aan zicht op uitzetting naar Algerije
De vreemdeling is in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat volgens haar zicht op uitzetting naar Algerije bestond, mede omdat een aanvraag voor een laissez passer bij de Algerijnse autoriteiten liep en de vreemdeling geen medewerking verleende.
De Raad van State stelt vast dat de Algerijnse autoriteiten in 2010 geen laissez passer verstrekten in gevallen van gedwongen vertrek en dat de laissez passer die aan de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) werden verstrekt, niet kunnen worden aangemerkt als handelingen ter voorbereiding van uitzetting met dwang. De minister heeft weliswaar inspanningen verricht om de Algerijnse autoriteiten tot afgifte van laissez passer te bewegen, maar er is geen inhoudelijke vooruitgang geboekt.
Gezien deze feiten concludeert de Raad dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting bestaat. De weigering van de vreemdeling om medewerking te verlenen is in deze situatie niet doorslaggevend, omdat uitzetting binnen redelijke termijn niet mogelijk is, ook bij volledige medewerking.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond. De vrijheidsontnemende maatregel is reeds opgeheven, waardoor een bevel daartoe achterwege blijft. De schadevergoeding wordt nihil vastgesteld vanwege de voortdurende weigering van medewerking door de vreemdeling. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdelingenbewaring wordt vernietigd wegens ontbreken van zicht op uitzetting naar Algerije.