Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2010:BO9156

Raad van State

Datum uitspraak
23 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201011935/2/H1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bouwvergunning aanbouw te Gouda

Het college van burgemeester en wethouders van Gouda verleende op 3 juni 2009 een lichte bouwvergunning voor het plaatsen van een aanbouw aan de achterzijde van een pand te Gouda. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze vergunning, dat door het college op 28 oktober 2009 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond op 17 november 2010.

Verzoekers stelden vervolgens bij de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening in, hangende het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. De voorzitter behandelde het verzoek op 17 december 2010 en overwoog dat het oordeel voorlopig is en niet bindend in de bodemprocedure.

De voorzitter stelde vast dat het college het besluit terecht had getoetst aan het bestemmingsplan "Bloemendaal Oost" dat gold ten tijde van het besluit op bezwaar. Het nieuwe bestemmingsplan "Plaswijck" dat op 9 september 2010 in werking trad, was niet relevant voor de toetsing. De diepte van de aanbouw overschrijdt niet de maximale toegestane diepte van 3 meter volgens het bestemmingsplan.

Gezien deze overwegingen wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor de aanbouw te Gouda is afgewezen.

Uitspraak

201011935/2/H1.
Datum uitspraak: 23 december 2010
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekers], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 november 2010 in zaak nr. 09/8746 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda (hierna: het college).
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2009 heeft het college aan [vergunninghouder] lichte bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een aanbouw aan de achterzijde van het pand op het perceel [locatie] te Gouda (hierna: het perceel).
Bij besluit van 28 oktober 2009 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [verzoekers] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, hoger beroep ingesteld.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2010, hebben [verzoekers] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 december 2010, waar [verzoekers], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Oosterhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. De voorzitter stelt voorop dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn, ook als daartegen een rechtsmiddel is ingesteld. Wel neemt de bouwer, door gebruik te maken van een nog niet in rechte onaantastbare vergunning, een risico, waarvan de eventuele negatieve gevolgen voor zijn rekening komen.
2.3. In hetgeen [verzoekers] naar voren hebben gebracht, is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank het besluit van 28 oktober 2009 terecht heeft getoetst aan het bestemmingsplan "Bloemendaal Oost", dat ten tijde van dat besluit gold. Dat op 9 september 2010 het nieuwe bestemmingsplan "Plaswijck" in werking is getreden laat onverlet dat getoetst moet worden aan het bestemmingsplan dat ten tijde van het besluit op bezwaar gold. Naar voorlopig oordeel heeft de rechtbank, gelet op de ter zitting getoonde plankaart, terecht overwogen dat de bestemmingsgrens langs en in het verlengde van de achtergevel van de keuken van het pand op het perceel is gelegen. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de diepte van de aanbouw, gemeten vanuit de bestemmingsgrens, niet meer bedraagt dan de in het bestemmingsplan "Bloemendaal Oost" toegestane maximale diepte van 3 m.
2.4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van staat.
w.g. Van Altena w.g. Hanrath
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2010
499.