ECLI:NL:RVS:2010:BO8960
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.W.M. Bijloos
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortvarendheid minister bij aanvraag verblijfsvergunning tijdens vreemdelingenbewaring
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep tegen vreemdelingenbewaring ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het bieden van de mogelijkheid om een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in te dienen tijdens de bewaring.
De Raad van State overwoog dat de vreemdeling op de plaats van vrijheidsontneming zelf, al dan niet via een gemachtigde, direct een aanvraag kon indienen conform de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit 2000. De minister was niet verantwoordelijk voor het tijdstip van het indienen van de aanvraag door de vreemdeling zelf. Daarnaast was de vreemdeling op 29 september 2010 te kennen gegeven dat zij een aanvraag wilde indienen en werd zij daartoe op 6 oktober 2010 in de gelegenheid gesteld.
Verder werd overwogen dat de minister bij de afweging van de belangen redelijk heeft gehandeld door de bewaring te handhaven gezien de omstandigheden, waaronder het langdurig illegaal verblijf en het niet ondernemen van stappen om het verblijf te legaliseren.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.