ECLI:NL:RVS:2010:BO8934
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling noodzakelijkheid kosten contra-expertise dactyloscopisch onderzoek in asielprocedure
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) verplicht was de kosten van een contra-expertise dactyloscopisch onderzoek te vergoeden aan een vreemdeling. De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het COa om deze kosten niet te vergoeden, omdat de Vreemdelingenpolitie had vastgesteld dat vanwege beschadigingen aan de vingertoppen geen bruikbaar dactyloscopisch signalement kon worden vervaardigd.
De rechtbank had het besluit van het COa vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de Raad van State stelde vast dat de vaststelling van de Vreemdelingenpolitie een feitelijke momentopname betreft die in de asielprocedure kan worden getoetst zonder noodzaak van een contra-expertise. Bovendien moet het COa als bestuursorgaan zorgvuldig omgaan met publieke middelen en is het niet verplicht deze kosten als noodzakelijke kosten aan te merken.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het COa had zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de kosten niet noodzakelijk waren en had het besluit voldoende gemotiveerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van het COa om de kosten van een contra-expertise dactyloscopisch onderzoek niet te vergoeden, wordt ongegrond verklaard.