ECLI:NL:RVS:2010:BO8065
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenrechtelijke terugnameverzoeken en bewijs van verblijf buiten EU
De vreemdelingen hadden asielaanvragen ingediend die door de staatssecretaris van Justitie werden afgewezen. De rechtbank had deze besluiten vernietigd en de minister opgedragen nieuwe besluiten te nemen. De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdelingen aannemelijk hadden gemaakt dat zij langer dan drie maanden buiten het grondgebied van de EU hadden verbleven, wat gevolgen heeft voor de terugnameverplichting van de lidstaten. De vreemdelingen stelden dat zij na hun vertrek uit Hongarije in Servië verbleven, maar konden dit onvoldoende onderbouwen met de overgelegde bewijsstukken zoals oproep- en afspraakkaarten en inschrijfkaarten van het arbeidsbureau.
Daarnaast betoogden de vreemdelingen dat de weigering van de Hongaarse autoriteiten om hen terug te nemen definitief was, omdat het heroverwegingsverzoek na de termijn was ingediend. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris tijdig een verzoek tot heroverweging had ingediend, waardoor de weigering niet als definitief kon worden beschouwd.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de besluiten tot afwijzing van de verblijfsvergunningen bevestigd.