ECLI:NL:RVS:2010:BO6323
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Volledige toetsing aan artikel 8 EVRM bij mvv-vereiste in vreemdelingenrecht
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dat bij de beoordeling van het mvv-vereiste een volledige toets aan artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) moet plaatsvinden.
De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het mvv-vereiste slechts in uitzonderlijke gevallen een schending van artikel 8 EVRM Pro oplevert en dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met haar familie- en gezinsleven in Nederland, mede gezien de Nederlandse nationaliteit van haar kinderen. De staatssecretaris voerde aan dat het handhaven van het mvv-vereiste een overwegend belang van de Nederlandse staat dient en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een verblijfsrecht zouden rechtvaardigen.
De Afdeling overwoog dat er weliswaar sprake is van familie- en gezinsleven, maar dat de weigering van de verblijfsvergunning niet leidt tot inmenging in het recht op eerbiediging daarvan, omdat de vreemdeling Nederland met een geldige mvv is binnengekomen en het verblijfstitel niet wordt ontnomen. De belangenafweging tussen het belang van de vreemdeling en het algemeen belang van Nederland werd als rechtmatig beoordeeld, mede gelet op jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De grief van de vreemdeling faalt en het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, met verbetering van de gronden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.