ECLI:NL:RVS:2010:BO5967
Raad van State
- Hoger beroep kort geding
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.H.M. van Altena
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling loopt geen reëel risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer naar Somalië
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de staatssecretaris van Justitie werd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet had beoordeeld of er bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden waren die toetsing van het besluit mogelijk maakten. De vreemdeling stelde dat zij als alleenstaande vrouw en lid van de Jaji clan, een minderheidsclan, bij terugkeer naar Somalië een reëel risico liep op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De Raad van State overwoog dat uit de aangevoerde rapporten en ambtsberichten niet blijkt dat de Jaji clan systematisch wordt blootgesteld aan onmenselijke behandeling. Ook de situatie van alleenstaande vrouwen in Somalië, hoewel zorgelijk, rechtvaardigt niet het oordeel dat sprake is van bijzondere feiten. Daarom is het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de voorzieningenrechter werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van bijzondere feiten die een risico op strijdige behandeling met artikel 3 EVRM aantonen.